Herbeoordelingen

Inleiding

Nadat de AFM haar aanbevelingen heeft uitgebracht, brengt de minister van Financiën op 1 september 2014 een brief naar buiten waarin hij aangeeft dat banken begonnen zijn de rentederivatencontracten die zijn gesloten met niet-professionele beleggers te herbeoordelen. De verwachting op dat moment is dat banken:
 

“[...] eind 2014 vrijwel alle uitstaande contracten [te] hebben herbeoordeeld”.


De minister van Financiën is duidelijk over de randvoorwaarden van deze herbeoordelingen: er moet worden getoetst aan het wettelijk kader. Dit is ook in lijn met de rapporten van de AFM en daarmee bedoelt de minister van Financiën de Wft en daarbij behorende regelgeving. Daarnaast is het uitgangspunt dat de herbeoordeling leidt tot een oplossing waarin klanten van de bank zich zoveel mogelijk kunnen vinden. Daarbij moet gekeken worden of het advies in kwestie passend was. Volgens de AFM, die zoals gezegd toezicht houdt op de herbeoordelingen, moeten klanten tenminste in de positie worden gebracht indien de dienstverlening correct zou hebben plaatsgevonden:

“Daarbij gaat het er volgens de AFM uiteindelijk om dat de banken een klant tenminste in de positie brengen waarvan sprake zou zijn geweest indien de klant de juiste dienstverlening had gehad vanaf het moment van sluiten van het contract. Dat wil zeggen dat de klant wist waarvoor hij tekende, de risico’s kon inschatten en op de gewenste manier zijn renterisico kon beheersen.”


Dat de eerste fase van dit herbeoordelingsproces zich richtte op de vraag of de dienstverlening ten tijde van het afsluiten van het rentederivaat passend is geweest, volgt ook uit de brief van de minister van Financiën van 17 november 2014. Ook dienen banken te kijken of de dienstverlening gedurende de looptijd van het product sprake was van passende dienstverlening:

“Het proces van herbeoordelen bestaat uit twee fasen. In de eerste fase van de herbeoordeling wordt, op basis van hetgeen is vastgelegd in klantdossiers, beoordeeld in hoeverre de dienstverlening ten tijde van het afsluiten van het rentederivaat passend is geweest en in hoeverre het afgesloten product geschikt was voor de klant. Verder wordt beoordeeld in hoeverre gedurende de looptijd van het product sprake is geweest van passende dienstverlening. De banken voeren dee herbeoordelingen zelf uit. De AFM beoordeelt met steekproeven of alle relevante aspecten hierbij worden meegenomen.”

Is de dienstverlening niet passend of onzorgvuldig (geweest), dan moet “door banken een oplossing worden geboden”. Wederom wordt benadrukt dat “klanten zich zoveel mogelijk kunnen vinden in de geboden oplossing.”


Dit is een herhaling van hetgeen de minister van Financiën al opnam in zijn brief van 1 september 2014. Volgens de minister van Financiën voert de AFM bij alle banken steekproeven uit om inzicht te krijgen in de oplossingen die banken bieden en of de aangeboden oplossingen voldoen aan de geformuleerde uitgangspunten. Wederom benadrukt de minister van Financiën dat gekeken moet worden naar de wettelijke bepalingen op het gebied van beleggingsdienstverlening (kortom: de Wft (MiFID), hetgeen onder andere betekent dat banken een geschikt product moeten adviseren (artikel 4:23 Wft):

“Hoewel de banken de herbeoordelingen zelf uitvoeren, dienen zij dit te doen aan de hand van de bestaande wettelijke normen die van toepassing zijn voor beleggingsdienstverlening. Het staat dus duidelijk vast aan welke normen banken hun dienstverlening moeten toetsen. Bovendien beoordeelt de AFM door middel van steekproeven de kwaliteit van de herbeoordelingen.”


Hoewel dus duidelijk vaststaat hoe banken de rentederivatendossiers moesten herbeoordelen, eindigt dit uiteindelijk een ramp. De herbeoordelingen mislukken en de AFM heeft onvoldoende toezicht gehouden op de herbeoordelingen.

 
Volgende