In de brief van 3 december 2015 laat de AFM weten dat er helaas het nodige is misgegaan bij het verrichten van de herbeoordelingen. Uit de analyse van de AFM volgt dat de herbeoordelingen “onjuistheden en onvolledigheden bevatten” en dat “onvoldoende mate sprake is geweest van aansluiting bij het wettelijke kader”. Dit betekent volgens de AFM dat een substantieel deel van de herbeoordelingen van de rentederivaten opnieuw moet plaatsvinden.

De minister van Financiën laat in zijn brief van 4 december 2015 weten het standpunt van de AFM, dat een substantieel deel van de herbeoordelingen van de rentederivatendossiers opnieuw moet plaatsvinden, te onderschrijven. Daarbij is het volgens hem van belang dat de AFM het toetsingskader voor de herbeoordeling zodanig formuleert dat consistentie wordt gewaarborgd in de herbeoordelingen, de kwalificatie van bevindingen en de oplossingen. Hij betreurt de ontstane situatie en vertraging in het proces. De herbeoordeling van de rentederivaten moet echter onbetwistbaar goed en zorgvuldig gebeuren:

“In januari dit jaar informeerde ik uw Kamer over de vertraging die was opgetreden omdat de AFM op basis van haar steekproeven bij een aantal banken had bijgestuurd op de kwaliteit van de herbeoordelingen. Ook toen heb ik aangegeven dat het belang van de MKB-ondernemingen voorop stond en ik daarom de voorkeur gaf aan een zorgvuldige herbeoordeling in plaats van zo snel mogelijke afronding van de herbeoordelingen. Nu blijkt op basis van de informatie van de AFM dat bij verschillende stappen in het traject er onduidelijkheden zijn geweest en onzorgvuldigheden zijn begaan. In de eerste plaats heeft de AFM de toepasselijke wettelijke eisen nader toegelicht in een leidraad en deze aan de banken verstrekt. De banken hebben dit wettelijk kader verschillend geïnterpreteerd. Dit blijkt onder meer uit het feit dat elke bank haar eigen werkprogramma ontwikkelde en de daarin volgens de AFM verschillende accenten legde. Daarbij werd door de banken al afgeweken van de eisen die de AFM aan de herbeoordeling heeft gesteld. Hierop is onvoldoende door de AFM bijgestuurd. Vervolgens is bij de uitvoering van de werkprogramma’s verder afgeweken van de eisen en vaak niet vanuit het belang van de klant geredeneerd. Voorbeelden van de wijze waarop banken zijn afgeweken van de (wettelijke) eisen zijn het niet of niet volledig meenemen in de herbeoordeling van tekortschietende informatievoorziening, onvolledige dossiervorming en niet passendheid van het product. Hierop is door de AFM onvoldoende inbegrepen.”


De AFM bericht de minister van Financiën per brief van 29 februari 2016 naar aanleiding van haar constatering uit december 2015 dat banken in veel gevallen niet het belang van de klant lieten prevaleren bij het uitvoeren van de herbeoordelingen. Als gevolg van fouten in de herbeoordelingsfase door banken zouden klanten volgens de AFM ten onrechte onvoldoende compensatie ontvangen of niet in aanmerking komen voor herstel naar de toekomst toe. Om herhaling te voorkomen is het volgens de AFM noodzakelijk:

“de interpretatieruimte van banken in het vervolgproces te minimaliseren. Hoewel de banken naar aanleiding van onze gesprekken sinds december 2015 al belangrijke stappen hebben gezet naar een ruimhartiger compensatiebeleid, zien wij aanleiding voor een uniform en voorschrijvend herstelkader. Zo wordt een minimale lat gecreëerd waaraan alle banken zich houden.”


De AFM is in 2016 nog steeds de mening toegedaan dat banken alleen hebben gewezen op de voordelen van de constructie en onvoldoende hebben geïnformeerd over de nadelen. Doordat de banken de herbeoordelingen niet in lijn met de Wft uitvoeren en klanten daardoor compensatie mislopen, moet deze minimale lat gecreëerd worden.

Hiermee worden de eerste stappen richting het UHK gezet. De AFM adviseert de minister van Financiën tevens om “onafhankelijke deskundigen aan te stellen die dit herstelkader met de banken overeenkomen”. Naar aanleiding van deze brief van de AFM laat de minister van Financiën de Tweede Kamer op 1 maart 2016 weten het voorstel om een uniform kader op te stellen te steunen. Zo schrijft hij:

“Om te voorkomen dat klanten oplossingen mislopen door onjuiste herbeoordelingen door banken acht ik het, in lijn met het advies van de AFM, noodzakelijk dat alle dossiers opnieuw worden getoetst aan een ‘uniform herstelkader’. Dit uniforme herstelkader - voor zowel beoordelingen als oplossingen- zal voorschrijven hoe de herbeoordelingen moeten worden uitgevoerd en welke herstelacties banken in specifieke situaties moeten uitvoeren om opgelopen schade te compenseren en toekomstige schade te voorkomen.“


Bovendien meent de minister van Financiën dat het geen goed idee is dat de AFM dit kader vaststelt en hij deelt de mening van de AFM dat hiervoor een onafhankelijke commissie moet worden aangesteld. Het opstellen van het herstelkader past volgens hem niet bij de rol van een toezichthouder. In deze brief benoemt de minister van Financiën deze commissie, bestaande uit de heren Schimmelpenninck, Knüppe en Kocken. Met deze brief zag het UHK voor het eerst het levenslicht. Het eerste persbericht van de Derivatencommissie, dat dateert van 5 april 2016, verwijst ook naar de benoeming op 1 maart 2016. De eerste versie van het UHK is op 5 juli 2016 gepubliceerd.

 
Volgende